Tekst: Anne-Rose Hermer | Foto: Marion Middendorp
Bellen blazen in de lucht
Lucas kijkt om zich heen.
Hij wil graag opstaan.
Maar dat mag niet.
Hij moet blijven zitten.
Er zit een riem aan zijn stoel vast.
Die zit om zijn middel.
Dat moet, want hij zit in een vliegtuig!
Niet alleen, maar met zijn vader en moeder.
Ze zijn met vakantie geweest.
Het was leuk in Spanje.
Veel zand, veel water en heel veel zon.
Hij speelde vaak met Karen.
Ze hebben samen zandkastelen gebouwd.
En samen ijsjes gegeten.
Karen en haar ouders zijn gisteren naar huis gegaan.
Met de auto.
Lucas is blij dat hij mag vliegen.
Maar hij mist Karen een beetje.
Met de auto duurt de reis veel langer.
Waar zou Karen nu zijn?
Terwijl Lucas zit te denken valt hij in slaap.
Hoe kan dat nu?
Daar is Karen!
'Waarom ben jij hier?' vraagt Lucas.
'Ik mocht ook vliegen', zegt Karen.
'Kom, dan gaan we spelen.
Kijk eens wat ik heb?'
Lucas ziet dat Karen een potje in haar handen heeft.
Ze maakt het open.
Aan de dop zit een stokje met een rond dingetje er aan.
Als Karen er tegen blaast, zijn er ineens allemaal bellen.
Het is bellenblaas.
'Daar spelen jongens niet mee', vindt Lucas.
'Wel in een vliegtuig', zegt Karen.
'Niet waar!', roept Lucas.
'Wel waar!' roept Karen.
Ze blaast héééééééééééééééééééél hard.
Er komen een heleboel bellen.
Die beginnen ineens te vliegen
Lucas en Karen rennen samen lachend door het vliegtuig achter de bellen aan.
Karen blaast nog een keer. En nog een keer.
Dan vliegen de bellen door een raampje naar buiten.
Maar wat gebeurt er nu?
Lucas en Karen worden door de wind meegetrokken.
Ze vliegen mee met de bellen.
Dat hadden ze nooit verwacht.
Het is eng, maar ook spannend.
'Gaan we nu naar Spanje of naar huis?' vraagt Karen.
'Kijk, het vliegtuig gaat de andere kant op.'
O, nee! Waar gaan ze naartoe? Ze vallen naar beneden!
'Hélp! Hélp!'
'Lucas. Lucas, wat heb je?'
Hij zit gewoon in zijn stoel.
Zijn moeder maakt hem wakker.
'Lucas, we zijn er. Heb je eng gedroomd?'
'Karen was er. Ze blies bellen. De bellen vlogen weg door een raam en...'
'Ha, ha, ha. Jij hebt gedroomd', lacht zijn moeder.
'In een vliegtuig staat nooit een raam open!
En Karen zit nog in de auto.
Kom, dan gaan we naar huis.'
Jammer dat het een droom was.
Het was eng, en toch spannend.
Maar van het vliegen in het vliegtuig heeft hij niets gemerkt.